Juryrapport Libris Literatuur Prijs 1998

Het Bureau 3: Plankton, J.J. Voskuil

Wie de Neerlandicus Maarten Koning - het alter ego van de schrijver J.J. Voskuil - tot nu toe heeft gevolgd op zijn levensweg in de delen van Het bureau die zijn verschenen, zal veel hebben herkend. Zowel thuis, met Nicolien zijn vrouw, als op het instituut voor volkenkundig onderzoek waar Maarten Koning in de jaren vijftig begint te werken, treffen wij hem regelmatig onder omstandigheden aan, die ons niet geheel vreemd voorkomen. Met name de bureaucratie waardoor het werk van de wetenschappelijke ambtenaren wordt gekenmerkt, levert taferelen op die menigeen als `uit het leven gegrepen' zal ondergaan.

Maar met `herkenning' is het, literair gesproken, vreemd gesteld. Hoe is het mogelijk, kan men zich afvragen, dat wij als buitenstaanders, die nooit een voet binnen dit bureau hebben gezet, daar zoveel zien gebeuren dat ons zo vertrouwd voorkomt? Voskuil heeft door tot op zekere hoogte afstand te nemen van de werkelijkheid, deze naar zijn hand kunnen zetten, haar symbolisch gemaakt, betekenis gegeven aan het onbetekenende, op een manier die de lezer in staat stelt zichzelf in het verhaal terug te vinden. Herkenning is in die zin ontdekken wat je eigenlijk altijd al wist.

Toch is er met deze cyclus, de roman Plankton inbegrepen, iets meer aan de hand. Vanzelfsprekend kwamen in het jurygesprek de andere, reeds verschenen delen van Het Bureau ter sprake - Meneer Beerta en Vuile Handen - omdat Plankton daarvan niet los gezien kan worden. De jury merkte dat aan de waardering voor Plankton het hebben gelezen van de eerder verschenen afleveringen van de cyclus zeker bijdroeg en - zegt zij met genoegen - zij ziet uit naar de delen die ons nog wachten.

Een belangrijk punt in het overleg was, dat Voskuil er met zijn omvangrijke reeks - inclusief Plankton dus - in slaagt een beeld te geven van het leven in de jaren vijftig en zestig, dat op overtuigende wijze een existentieel probleem blootlegt. Meer specifiek: de onmacht om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer, maar het desondanks wel doen. Dat gaat zelfs nog verder: aan de hand van het personage Maarten Koning weet Voskuil die onmacht tegelijkertijd te preciseren en uit te vergoten. Dat is de spanning die in al zijn boeken zit, ook in Plankton.
In de visie van Maarten Koning op het werk dat door hem - en anderen - op Het Bureau moet worden gedaan (bijvoorbeeld het beruchte onderzoek naar `de nageboorte van het paard') zit een verlangen naar `zin' verborgen. Koning is niet, zoals zijn vrouw Nicolien - die zich achter hem kan verschuilen -, iemand die zich afzijdig houdt, die niet deelneemt en zich niet druk hoeft te maken om allerlei praktische kwesties van het bestaan, integendeel, hij maakt zich juist veel te druk, weliswaar niet zozeer om het werk of de mate waarin hij zich daarin kan `realiseren', maar om dingen die in de miezerige werkelijkheid waarvan hij deel uitmaakt veel te veel gevraagd zijn: rust en geen concessies hoeven doen aan zijn eigen waarheid.

Het zijn uiteindelijk vooral zijn eigen beperkingen, zijn eigen angsten en tekortkomingen, die hem verhinderen tot een mogelijkerwijs `geslaagd leven' te komen. Dat besef houdt een vorm van verzet in: het benadrukken van de `lulligheid' van de dingen die hij moet doen. Die relativering, die die speciale Voskuil-humor oplevert, tilt de pure anecdotiek, waaraan zoveel egodocumenten van de laatste jaren bezwijken, naar een ander plan. Humor is de hoogste vorm van tragiek, en als er iets is wat Voskuil met zijn reeks onweerlegbaar op de lezer heeft overgebracht, is het dat inzicht.

Voskuil heeft de werkelijk, zijn werkelijkheid, tot en met gefictionaliseerd. In zijn cyclus ondergaat die werkelijkheid - die wij niet kennen - een metamorfose. Het Bureau is niet zomaar het instituut waar Voskuil heeft gewerkt, maar zijn schepping. Het bestaat, dankzij hem, in taal. En al moge de indruk gewekt worden dat het hele levensverhaal van Maarten Koning bestaat uit reële, controleerbare feiten, in wezen is er sprake van een omvangrijk archief van emoties. De hoofdpersoon, en alles wat hem overkomt, wat hij bepeinst of droomt, is een veld van gevoeligheden, ergernissen, frustraties en ja, ook liefde. Voskuil geeft daarmee een haarscherp portret van een individu dat worstelt met de soms letterlijk angstaanjagende tegenstelling tussen wat hij wil of kan zijn en wat hij moet zijn om te midden van anderen te kunnen functioneren.

Die niet te overbruggen kloof tussen de enkeling en zijn omgeving is door Voskuil met zijn verbeelding van een kwetsbare figuur als Maarten Koning - die zijn eigen tekortkomingen niet onder stoelen of banken steekt - trefzeker gethematiseerd. In het onheroïsche bestaan van een doodnormaal kantoorleven krijgt Koning waarachtig de trekken van een held, een tragische held, omdat hij zijn lot van een zinloos bestaan, waaraan hij zich niet kan onttrekken, onder ogen ziet. In dat opzicht is Koning zelfs een held van deze tijd. Omdat geen religie, geen politiek idealisme of maatschappelijke bevlogenheid nog langer een uitweg kunnen zijn.

Bij zo'n verhaal past de vorm die Voskuil heeft gekozen. Juist in de precieze documentatie van de dagelijkse trivialiteit, ontpopt hij zich als een schrijver, die door een drang naar waarheid wordt voortgestuwd. Hij pepert de lezer als het ware in dat dit, en niets anders, het leven is. Dat hij dit doet door middel van een persoon, die je soms de keel uithangt, zo treiterig volhardend als hij is in zijn motterige bespiegelingen, maakt de roman alleen maar overtuigender. Als Voskuil wraak heeft willen nemen op het P.J. Meertens Instituut, zoals wel is geopperd, dan is het niet op het onbenul waarmee hij zijn hele arbeidzame leven lang dagelijks te maken had, maar op het leven zelf. Zo houdt hij ons een spiegel voor en kreeg het instituut meer dan het misschien in de ogen van Koning verdiend zal hebben: het werd letterlijk vereeuwigd.
Voor de meerderheid van de jury van de Libris Literatuur Prijs was Plankton, ondanks de heftige discussie die over deze roman (en de hele cyclus) gevoerd werd, het allerbeste boek van 1997. Met recht kun je zeggen dat Voskuil zich met dit deel uit zijn reeks opnieuw in zijn `beperking' een `meester' heeft betoond.

Amsterdam, 25 mei 1998

De jury,
Henk van Os (voorzitter)
Hermine de Graaf
Willem Kuipers
Annemiek Neefjes
Ronald Soetaert