Juryrapport Libris Literatuur Prijs 2002

Robert Anker, Een soort Engeland

Het is een staaltje van perfecte ironie dat een paar stevige schoenen, die als ‘ankers in de wereld’ zouden staan, de tolk is van een cruciaal motief in Een soort Engeland en in het werk van Robert Anker. Zoals hij in zijn poëzie graag de grammatica naar zijn hand zet en zinnen op elk gewenst moment niet afmaakt, zo wendt hij in zijn proza desnoods een krom beeld aan als dat hem aanspreekt. In Een soort Engeland zijn de schoenen van de hoofdpersoon, de middelbare acteur David Oosterbaan, ‘zijn vrienden’, die hijzelf graag zijn ‘ankers in de wereld’ noemt. Met deze ‘hoge, zwarte, ongepoetste, gebutste, zilver beoogde en rood beveterde schoenen met de zwaar geprofileerde zolen’ struint Oosterbaan door zijn leven, maar dat wil allerminst zeggen dat hij daarmee stevig in het leven staat. Oosterbaan snakt evenzeer naar ‘zwaarte en betekenis’ als de verwarde hoofdpersoon in het eerste verhaal uit de bundel Volledig ontstemde piano, ‘een paar schoenen die hem bij de enkels naar de grond trekken en hem zonder iets te vragen een bepaalde kant op trekken’. Oosterbaans schoeisel is maar een van de vele beeldende details in Een soort Engeland die de roman zijn reliëf geven. David Oosterbaan is een luchtfietser die zijn leven lang te weinig contact heeft met het aardse. Hij spiegelt zichzelf steeds van alles voor. Daarom draagt hij ook die stevige kistjes, om zichzelf de illusie te bezorgen dat hij met beide benen op de grond staat.

Een soort Engeland is een met wellust geschreven roman. Anker verlustigt zich aan de taal, alsof die alles moet compenseren waarin het beschreven leven tekortschiet. Maar hij weet zijn wellust te doseren, er zit een uitgekiend ritme in de afwisseling waarmee hij rustig vertelt, hooggestemde gesprekken weergeeft en de opgewonden innerlijke monologen van Oosterbaan laat stromen. Dat past bij de crisis waarin David Oosterbaan terecht is gekomen, niet de eerste in zijn leven, maar wel de diepste. Het geeft de roman een onopvallend symfonisch karakter. Verspringend van heden naar verleden ontrolt zich het bestaan van Oosterbaan in hoofdstukken die stuk voor stuk de aandacht vasthouden. De verteller pendelt tussen Oosterbaans innerlijk en een positie buiten hem. Hij is de kenner van binnenuit èn een lichtelijk ironisch en cynisch commentator.

Het gaat in Een soort Engeland om David Oosterbaan, maar we leren hem ook kennen via de tijd waarin hij opgroeit, de maatschappelijke ideeën die korte of langere tijd bezit van hem nemen en de verschillende toneelgroepen waarmee hij zich engageert. Dat zijn niet zomaar toneelgroepjes. Zij hebben ook ideeën over de samenleving, het leven zelf en de subversieve plaats van het toneel daarin. Oosterbaan speelde toneel op school, bij een theaterrockband, bij het strijdtoneel en bij het ene na het andere professionele gezelschap. Steeds weet Anker de sfeer daarvan treffend op te roepen door Oosterbaans collega’s en regisseurs op te voeren en ze hun karakteristieke zegje te laten doen. Het optreden van werkelijke toneelschrijvers en regisseurs (Lodewijk de Boer, Gerard Jan Rijnders, Frans Strijards, Thomas Bernhard) verleent de roman een bedrieglijk realisme. Ook de verschillende stukken waarin Oosterbaan speelt worden met verve opgeroepen in handenwrijvende evocaties en toneelfragmenten, alsof het speciaal gaat om die ‘tijdelijke werelden’ in taal (‘Taal, het enige dat in het theater gewicht heeft’, zegt Oosterbaan). De titel van de roman verwijst naar het toneelstuk Is dit Engeland waarin Oosterbaan een ‘man alleen’ speelt, ‘verwikkeld in een queeste naar een soort Engeland, hunkerend naar de liefde die hij afwijst’.

Anker is er prachtig in geslaagd om de verschillende sferen en tijden in elkaar te laten vloeien en op elkaar te betrekken. Het is nauwelijks toevallig dat Oosterbaan ten tijde van zijn nieuwe crisis oog in oog komt te staan met zijn dochter Laura, die hij nooit meer heeft gezien sinds hij dertig jaar geleden van haar moeder is gescheiden. Ze is verslaafd aan drugs. In de beschrijvingen van Oosterbaans tochten met haar langs de huizen van heel of half gesjochten drugsdealers toont Ankers zijn verbluffende opmerkingsgave en gevoel voor het sprekende detail. Laura’s erbarmelijke toestand is een verhevigde afspiegeling van Oosterbaans eigen situatie. Zoals Laura is ondergedoken in de drugs, zo is Oosterbaan zijn hele leven ondergedoken in de kunst, ten voordele van de kunst èn hemzelf zolang hij er triomfen in viert, maar ook ten koste van zijn eigen evenwicht (‘Jij weet helemaal niet wat de werkelijkheid is, en al helemaal niet wat een drugsverslaafde is, vertel mij wat’, krijgt hij te horen). Laura’s onvermogen om zich te houden aan haar beloften om van de drugs af te gaan, spiegelt zich in Oosterbaans onvermogen om zijn eigen leven op orde houden: de afspraken met zijn vriendin na te komen, zijn post open te maken, niet te veel te drinken, niet altijd op de flirttoer te zijn, niet altijd ruzie te zoeken. Hij krijgt de vraag voorgelegd of een verslaving ‘wilsvernietiging of wensbevestiging’ is en blijft het antwoord schuldig.

In dit zorgvuldig gecomponeerde spiegelpaleis speelt het toneel zijn eigen toneelstuk. Dat gebeurt in de vorm van de toneelschrijvers aan wie Oosterbaan, of de regisseurs met wie hij werkt, zich verslingeren. Ze zijn onderwerp van discussie, van pleidooien, van hebbelijkheden. Stanislavski komt voorbij omdat de acteur in zijn eigen innerlijk moet tasten om een rol te kunnen spelen. Artaud, omdat bij hem het toneelspelen gelijkstaat met het laten ontstaan van een gekkenhuis. Of Brecht, aan wie Oosterbaans vriend Arthur zich verslingerd heeft in zijn strijd tegen de maatschappij. Door het spelen van Beckett of Thomas Bernhard komen respectievelijk de doelloosheid van het leven en de corruptheid van Oostenrijk en het toneelspelen zelf boven water. Toneelspelen is in het leven van Oosterbaan een existentiële worsteling, waarin hij alleen maar niet ten onder gaat omdat hij zich steeds weer in een andere rol stort, en daarin altijd wil ‘vlammen’. Oosterbaan is een recidivist. Zijn steeds terugkerende misstap is dat hij niet weet hoe precies te leven, omdat hij de helft van zijn leven rollen speelt van personages die het ook niet weten. Hij vervalt in grotesk gedrag, kleedt zich opzichtig en blijft denken dat zijn middelbare leeftijd geen enkel bezwaar is voor jongere vrouwen om hem leuk te vinden. Vandaar dat hij tot een pathetische, maar niet minder ordinaire stalker uitgroeit bij zijn pogingen de Vlaamse actrice Lena te strikken. Maar ook met haar speelt hij half toneel, bijvoorbeeld door zijn verleidingspogingen te larderen met een zelfbedacht Vlaams taaltje.

Het is Anker gelukt om Oosterbaan van binnenuit te laten ontstaan en van buitenaf te bekijken. Een prachtige rol is hierbij weggelegd voor Brian, een Surinaamse ambtenaar van de gemeente Amsterdam die op een dag in Oosterbaans woonboot zit omdat Oosterbaan de brieven van de gemeente niet openmaakt waarin staat dat zijn boot ligt waar hij niet mag liggen. Deze Brian, die als een reddende engel door de stad trekt om menselijke probleemgevallen bij te staan (‘L’office, c’est moi, haha!’), houdt hem subtiel zijn situatie voor ogen, gespekt met een Surinaams taaltje waarmee hij zichzelf parodieert. Met deze Brian maakt Oosterbaan een vogelvlucht over de stad, om daarna neer te dalen en in de ‘bodem van de samenleving’ terecht te komen. Daar krijgt hij levens te zien waarvan hij niets wist. Het drukt hem met zijn neus op zijn eigen luchtfietserij, want dit is het echte leven, ‘Louter materie. Wat hier gedaan wordt, is wat het is, het is niet de uitdrukking van iets anders,’ zegt Brian.

Zoals wel vaker in werk van Anker is Een soort Engeland ook een rondgang door de verloedering van de westerse cultuur, zoiets als ‘de stinkende mesthoop’ waarop Oosterbaan het personage speelt dat voorlopig zijn laatste zal zijn. Net als in zijn vorige roman Vrouwenzand heerst in Een soort Engeland Ankers negatieve idealisme: door alles zo illusieloos en ellendig mogelijk voor te stellen moet er wel iets overblijven dat het personage in leven houdt. Wat er voor Oosterbaan overblijft is ‘het spelen’, de ‘speldrift’, in welke rol het ook is. Het spelen is waar het allemaal om gaat, ‘de inhoud ervan vervluchtigt en is niet meer dan een vage herinnering’. Het laatste toneelstuk waarin hij speelt, en waarin hij op het toneel in pathologisch zwijgen vervalt, heet niet voor niets Theatervernietiging, geschreven door een schrijver die zelfmoord heeft gepleegd.
Alsof dit alles nog niet voldoende is voor een geladen roman, speelt op de achtergrond ook nog Oosterbaans jeugd in het plaatsje M. aan de rand van het IJsselmeer een cruciale rol. Ook de gelukkige jeugd is een brisant motief in Ankers werk. In Een soort Engeland groeit Oosterbaans jeugd uit tot het volstrekte verloren paradijs, het positief van het negatief dat het leven na de adolescentie schijnt te zijn. Aan het einde van de roman haalt hij in wanhoop de schoenendozen voor de dag met zijn jeugdfoto’s en van de rollen die hij heeft gespeeld. Zijn jeugd komt dan onontkoombaar op hem af en verplaatst hem in de tijd. Hij is er weer aanwezig ‘zoals hij in honderden rollen nooit aanwezig is geweest’. Het plaatsje M. wordt ‘de heilige hal van zijn adolescentie’. Hij herinnert zich zijn vrienden, de gelegenheden waar ze samenkwamen, de zonderling van het stadje, en Leda op wie hij verliefd was. ‘Daar geweest te zijn, daar altijd te hebben willen blijven, daar in M., altijd bij elkaar, in een stonde van de tijd dat het leven alleen nog maar uit mogelijkheden bestaat, wachtend op het eindeloze begin dat nooit zal komen, en een verlangen dat met dat wachten samenvalt.’

Dat had Oosterbaan willen doen: een leven leiden dat alleen nog maar uit mogelijkheden bestaat. Dit wachten op een begin dat nooit mag komen wordt treffend vertolkt door de paradox in een liedje van Bryan Hyland dat zijn jeugd begeleidde: ‘”Ginny come lately”, Ginny komt onlangs, ze is er en ze is er nog niet.’ Gaat het de acteur Oosterbaan uiteindelijk om het loutere ‘spelen’, om de ‘speldrift’, het ‘vlammen’en is al het andere bijzaak, op dezelfde manier gaat het Robert Anker in Een soort Engeland om de taal en het evocerende, wellustige schrijven, als compensatie, als genoegdoening voor alle gebreken van het leven. Afwisselend rustig en exorbitant ontrolt zich het leven van David Oosterbaan in scènes, alinea’s en zinnen die glansrijke en prikkelende beelden oproepen. Ook al mag ‘de inhoud’ volgens Oosterbaan uiteindelijk vervluchtigen en niet als een anker in de wereld staan, Anker zorgt dat de inhoud ondertussen toch overvloedig en dwingend langskomt.

Amsterdam, 8 mei 2002

De Jury:
Herman Tjeenk Willink (voorzitter)
Douwe Fokkema
Marcel van Nieuwenborgh
Hilde Pach
Carel Peeters