Juryrapport nominaties Libris Literatuur Prijs 2003

Introductie

2002 was een rijk jaar. Dat zegt iets over de vitaliteit van de huidige literatuur in Nederland en Vlaanderen, en maakte de taak voor de jury tot een buitengewoon plezierige. In de stapel van 154 romans en verhalenbundels – de Libris Literatuur Prijs wordt, zoals bekend, louter aan werken van fictie toegekend – hoefde niet met een zaklantaarntje te worden gezocht naar prijzenswaardig proza. De jury kon zonder veel moeite een longlist van 26 goede boeken vaststellen.

De literaire oogst van 2002 was niet alleen rijk, maar ook zeer gevarieerd. Onder de schrijvers van wie werk voor de Libris Literatuur Prijs werd ingezonden, waren zowel auteurs van naam als jonge schrijvers, en een handvol getalenteerde debutanten. De boeken zelf gaven een al even gevarieerd beeld. De plaatsen van handeling, bijvoorbeeld, liepen zozeer uiteen, dat met de stapel boeken van vorig jaar een wereldbol gevuld zou kunnen worden. Dit exotisme had niet alleen betrekking op de locaties. Ook romans die schijnbaar dicht bij huis speelden, grensden vaak aan de uitersten van de verbeelding. Talloze thema’s, onderwerpen, composities en stijlen, van barok tot de klare lijn, waren vertegenwoordigd.

Natuurlijk leidden niet al die combinaties van onderwerpen, composities en stijlen tot boeken die de juryleden konden bekoren. Veel romans hadden de zoektocht naar de eigen identiteit tot inzet, en dat leverde niet altijd een goed boek op. Balsem voor de ziel van de schrijver wellicht, maar literair minder de moeite waard. Toch droegen ook díe boeken bij aan het beeld dat er in de Lage Landen met hartstocht wordt geschreven – en dat dient met respect te worden beantwoord.

De mooiste boeken raken het hart en doen het hoofd duizelen. De jury van de Libris Literatuurprijs verkeert in de gelukkige omstandigheid dat zij zes boeken kan nomineren die dit zinnenprikkelende effect teweegbrengen. De genomineerde romans zijn, hoe zij ook van elkaar verschillen, elk geschreven in een onweerstaanbare stijl en kenmerken zich bij uitstek door hun intrigerende en inspirerende vertellende kracht.

Abdelkader Benali - De langverwachte

Een roman begint met de geboorte van een verteller. Er zijn eigenwijze vertellers die hun geboorte nog even uitstellen, ook al zijn de weeën begonnen en zitten de familieleden klaar om ‘de langverwachte’ te begroeten. In dat geval zit er voor de schrijver niets anders op dan alvast te beginnen en dat is wat Abdelkader Benali in zijn roman De langverwachte doet. En zie, zijn ongeborene breekt in de baarmoeder al los.

‘Geboren worden is een vorm van herinneren’, zegt de praatgrage die ‘de geesten van verleden, heden en toekomst’ kan oproepen.
Een bontgekleurde stoet Marokkaanse en Nederlandse familieleden trekt voorbij, in een stroom van associatieve verhalen, voorvallen, anekdoten en komische scènes worden ze aan de lezer voorgesteld. Hoofdpersoon en vader van het kind is de zeventienjarige Mehdi Ajoeb, die op gespannen voet staat met de grootvader, een Marokkaanse slager voor wie Nederland slechts als ‘busstation’ fungeert om zijn droom te verwezenlijken, één keer in zijn leven de reis naar het heilige Mekka te maken.

Grootmoeder Malika bewaart haar geschiedenis in de gekleurde glazen die ze elke dag zorgvuldig afstoft. Zij struint de huwelijksmarkt af naar een geschikte kandidaat voor haar tegenstribbelende dochter Jasmina, die ‘niet hengelt naar het huwelijk’ en van huis wegloopt. De even zo jonge, hoogblonde moeder van het kind, Diana Doorn, is een dochter van gescheiden ouders. Haar pleegvader Rob Knuvelder, die in elke allochtoon een crimineel vermoedt, vindt het niks dat zijn dochter een kind krijgt van een Marokkaan.

Speels en geestig, zappend van ouders, grootouders, tantes, ooms, buurtgenoten, imams, een Kaapverdische moslim en autoverkoper naar een rappende lefgozer, brengt Benali niet alleen zijn persoonlijke geschiedenis van een migrantengezin in Rotterdam in kaart, maar biedt hij ook een weids panorama van de hele gekleurde hedendaagse samenleving.

De langverwachte is een gedurfde roman, die op aanstekelijke en tegendraadse wijze over het botsen van twee culturen en de confrontatie van het oude en het nieuwe gaat, zonder ook maar in de verste verte te moraliseren.

Marek van der Jagt - Gstaad 95–98

Marek van der Jagt vertelt het verhaal van François Lepeltier die met zijn moeder Mathilde een tocht onderneemt langs Europese hotels. François is erotisch overgeleverd aan zijn moeder, ze houden zich in leven met diefstal en met de verlening van seksuele diensten aan hotelgasten. Later breekt Lepeltier met zijn moeder en probeert hij eerst als tandarts, later als skileraar en tenslotte als wijndeskundige aan de slag te komen. Uiteindelijk begaat hij een gruwelijke moord.

Wij lezers zijn in Gstaad 95–98 overgeleverd aan de voorstelling van de wereld zoals Lepeltier die ziet en we raken steeds verder verstrikt in de Kafkaëske verschrikkingen en de hele en halve waarheden die hij ons voorschotelt en waaruit we niet meer kunnen ontsnappen. Zijn rationalisaties beginnen langzamerhand de onze te worden. Van der Jagt is er voortreffelijk in geslaagd ons een wereld binnen te laten gaan die we liever niet zouden willen kennen: een wereld van verdraaiingen, zelfverminkingen, smerigheden, tedere doodsrituelen en seksuele aberraties. In handen van deze schrijver begint al het verschrikkelijke dat mensen elkaar aandoen in een merkwaardig en, zeker in de Nederlandse literatuur, onovertroffen licht van grote schoonheid te staan. De scènes rondom de familie Cecherelli zijn in dit verband onvergetelijk.

Van der Jagt is er in dit boek in geslaagd met uitgebalanceerde literaire middelen de schoonheid van het verschrikkelijke op ons in te laten werken. Bij hem geen abstracte betogen over ‘het menselijk tekort’ maar aangrijpende beelden. Hij demonstreert in een aaneenschakeling van bizarre, soms zelfs hilarische, maar in ieder geval altijd – soms letterlijk – uiterst pijnlijke scènes zijn zwarte visie op het menselijk theater dat wij samenleving plegen te noemen. Dit alles in een bijna luchtige, vanzelfsprekende stijl, die het niet zoekt in exorbitante beeldspraak, maar kiest voor kaalslag, directheid en grote precisie.

Oek de Jong - Hokwerda’s kind

Lin is ‘Hokwerda’s kind’, het oogappeltje van haar vader. Om zijn iele, kleine dochtertje sterker te maken, gooit hij haar keer op keer over de rietkraag in het diepe water van de Friese Ee. Een duizelingwekkend kunstje van uithoudingsvermogen, waarmee de dochter hem apetrots maakt. Maar hoe ver gaat een kind in haar overgave en liefde voor de ouder? In dit macabere ‘liefdesspel’ tussen de vader en zijn dochter ligt de tragiek van het noodlot besloten. Een huiveringwekkende proloog vormt de opmaat tot het drama van Oek de Jongs roman: op een stille zomeravond ontsnapt het uitgeputte meisje ternauwernood aan de verdrinkingsdood, een gebeurtenis die haar verdere leven zal bepalen.
Oek de Jong schetst Lin Hokwerda als een zinnelijke vrouw, die zich niet altijd bewust is van haar sterke erotische uitwerking op mannen. In eerste instantie lijkt ze met haar fijngevoelige, onberekenbare, naar hysterie neigende persoonlijkheid op een negentiende-eeuwse femme fatale. Maar door onze kennis van haar verleden weten we dat het andersom is; haar minnaar Henri Kist is de fatale man. De stoere lasser met zijn gespierde benen en opgerolde hemdsmouwen heeft dezelfde dodelijke uitwerking op Lin als haar vader, die ze na het incident op die zomeravond nooit meer heeft gezien.

Lin kan niet anders dan zich volledig aan Henri overgeven, net zoals de lezer na de schitterende openingsscène niet anders kan dan zich helemaal laten meeslepen door deze zintuiglijke roman, waarin sterke erotische scènes, geraffineerde dialogen en fraaie natuurbeschrijvingen elkaar afwisselen. Met vakmanschap, literaire bevlogenheid en virtuositeit beschrijft Oek de Jong het minutieuze zelfonderzoek van zijn personage Lin in haar poging weerstand te bieden aan de aantrekkingskracht van haar gevaarlijke minnaar, die haar tegelijkertijd vernedert en op een voetstuk plaatst, en met wie het liefdesspel een dans met de dood wordt.

Rob van der Linden - De hand, de kaars en de mot

Je kunt vele samenvattingen van Rob van der Lindens roman geven. Hij omvat de geschiedenis van de kaasboer en tevens profeet Manus, Vivo-winkelier in de Vogelenbuurt van Haarlem. Maar ook die van Pieter van der Kleij, die een familiekroniek samenstelt waarin de zus van Pichegru een vissenstaart blijkt te hebben. En wat te denken van het verhaal over de uitvinder van Blue Band margarine, om maar te zwijgen van het verhaal over de zoektocht naar de Heilige Graal. En dan laten we een stuk of wat andere verhaallijnen voor het gemak maar even weg. Deze roman bevat een schatkamer aan vertellingen, die elkaar in duizelingwekkend tempo opvolgen, op elkaar inspelen, elkaar aanvullen en steeds het hogere en het banale met elkaar verbinden. Het mooie van dit alles is dat deze vertellingen bij nader inzien ook nog een volkomen vanzelfsprekende samenhang met elkaar blijken te zijn aangegaan.

Van der Linden laat er geen twijfel over bestaan dat hij zijn stof beheerst. Hij laat de geestige onwaarschijnlijkheden van al deze door elkaar buitelende verhaallijnen af en toe doelbewust sterk in het oog springen en zorgt er daarbij toch voor dat je het gevoel krijgt een uitermate realistische Nederlandse roman te lezen, met echt Nederlandse ingrediënten erin: godsdienstwaanzin, oorlogsverwerking, familiegeheimen en religieuze achterstelling. Bovendien is hij erin geslaagd steeds zeer geloofwaardige beelden van het verleden op te roepen.

Van der Linden beschikt over een glasheldere, puntige en zwierige stijl waar het vertellersplezier van afspat en die je de indruk geeft dat het allemaal zo even voor de vuist weg is bedacht. Hij weet waar het bij schrijven van literatuur op aankomt, hij weet wanneer hij zijn zinnen de ruimte moet geven en wanneer hij op de rem moet staan. Zijn beeldspraak is treffend, vaak geestig en altijd meeslepend.

Doeschka Meijsing - 100% chemie

100% chemie van Doeschka Meijsing is een tintelende, kleine kroniek over vier generaties vrouwen uit haar familie. De schrijfster volgde het spoor terug van zichzelf naar haar moeder Ilna, grootmoeder Bettina Bory en overgrootmoeder Maria Blumenträger. Een geschiedenis die meer dan een eeuw omspant en de familie in 1934, onder dreiging van de oorlog, uit Frankfurt naar Nederland zou voeren.

Deze familiekroniek wordt niet chronologisch, maar in paardensprongen verteld. De kracht van 100% chemie ligt in de moeiteloze overgangen tussen fictie en overlevering, droom en herinnering, verlangen en werkelijkheid. Meijsing schrijft niet louter op wat ze weet, maar zet de familieverhalen naar haar hand. Daar kom je al snel achter, omdat de schrijfster constant in de rede wordt gevallen door haar moeder: ‘Je moet altijd uitkijken als je kinderen allemaal schrijver zijn’, zegt zij verontwaardigd. ‘Ze verdraaien altijd de waarheid en ze verzinnen van alles.’

De tegenspraak tussen moeder en dochter geeft het boek een prikkelende, dwarse toon. Meijsing heeft de familieverhalen liefdevol opgeschreven. De Duitse periode geeft ze een geheimzinnige glinstering, en de anekdotes uit de naoorlogse periode, waarin Meijsing mede uit eigen ervaring kon putten, zijn vaak hilarisch. Toch schemert onder de glinstering immer het drama van de moeder, die als Duitse in Nederland, haar nieuwe vaderland, maar moeilijk kon aarden. Als zij, tweeëntachtig jaar oud en haar leven lang overtuigd katholiek, op een avond op de televisie hoort dat het menselijk DNA is ontcijferd, zegt ze verbijsterd: ‘Ik geloof dat we allemaal voor de volle honderd procent uit chemie bestaan.’ Haar dochter schrikt, en zegt dat er toch ook nog zoiets als ‘de ziel’ bestaat.

Deze dialoog vormt de kern van 100% chemie. Uit schrijnend gebrek aan traditie heeft Meijsing willen verwoorden wat haar verbindt met de vrouwen uit haar familie – met hen die zijn gebouwd uit dezelfde genen. Aan de kale feiten heeft zij daarbij niet genoeg. Alleen in haar verbeelding, al fabulerend, dromend en speculerend, treft Doeschka Meijsing de ziel van het verhaal van haar familie. Alleen zo gaat een echte schrijver de voorbije tijd te lijf.

Allard Schröder - De hydrograaf

‘In het leven van Franz von Karsch-Kurwitz is ogenschijnlijk weinig voorgevallen dat nu, zesenvijftig jaar na zijn dood, nog de moeite van het vertellen waard zou zijn.’ Op die weinig beloftevolle manier begint Allard Schröder zijn roman over het leven van de jonge Duitse graaf, privé-docent aan een oceanografisch instituut. Toch onderneemt de verteller het om de stem van die wat kleurloze, eenzame man te laten klinken, ‘niet in het koor, maar solo’.

Zonder ander doel dan de golfslag en de stromingen van de zee te bestuderen, scheept Karsch op 15 april van het jaar 1913 in op de ‘Posen’ met bestemming Valparaiso. En plots, door de heldere en evocatieve stijl van Schröder, krijgt het onbeduidende betekenis, wordt de zeereis een tocht naar de troebele diepten van de menselijke ziel, door de woelingen van een tijdvak en een wereld van tijdloze mythes.
Zoals de zee zelf, die tegelijk stil ligt en in beweging is, zoals het leven op het schip, dat zich afspeelt binnen een kleine, overzichtelijke en benauwende ruimte, maar tegelijk tegen een altijd wijkende horizon, zo ervaart de lezer de lectuur van deze roman.

Tijdens zijn reis verliest Karsch gaandeweg alle interesse in zijn wetenschappelijke observaties. Des te meer raakt hij in de ban van het onmeetbare: zijn eigen verborgen drijfveren, de geheimen van zijn medepassagiers en de aantrekkingskracht van de mysterieuze vrouw Asta Maris. Terwijl ze realistische personages blijven, krijgen die anderen ook deels allegorische en mythische dimensies.

Daardoor slaagt Schröder er op een even doeltreffende als onopvallende manier in, tegelijk een beeld te schetsen van individuele mensen, van een overgangsperiode in de Europese geschiedenis en van wat de mens in het algemeen zoal beweegt. Dat effect bereikt de auteur door zijn uiterst suggestieve formuleringen, die onder de geringste schommelingen van het gemoed de diepten van de zee doen vermoeden.

Amsterdam, 7 april 2003

De jury:
Jeltje van Nieuwenhoven, voorzitter
Onno Blom
Hugo Brems
Kees ’t Hart
Ingrid Hoogervorst