Arnon Grunberg – Tirza

De overtuiging dat beschaving niet meer is dan een flinterdun vernis, loopt als een rode draad door het werk van Arnon Grunberg. In Tirza is het niet anders. In deze roman schetst Grunberg een vlijmscherp demasqué van een angstvallige burgerman wiens leven achter een façade van succes langzaam maar zeker voor onze ogen uit elkaar valt.

Op het eindexamenfeest van zijn jongste dochter Tirza zien we Jörgen Hofmeester de rol spelen van de voorbeeldige gastheer. Hij is een man die het allemaal voor elkaar dacht te hebben, die de leeftijd dacht te hebben bereikt waarop niets hem nog uit het evenwicht zou kunnen brengen. Maar terwijl de zelfgemaakte sushi’s en de gebakken sardientjes rondgaan en de glazen worden gevuld, doet Grunberg geleidelijk uit de doeken hoe deze controlefreak op alle vitale fronten de greep op zijn leven is kwijtgeraakt.

Als vader is hij een tragische figuur die in de allerbeste bedoelingen is blijven steken. Zo heeft hij in zijn angstvallige rol als beschermer zijn oudste dochter van zich vervreemd. Op Tirza, zijn oogappel die hij voor hoogbegaafd houdt, heeft hij de hooggespannen verwachtingen die hij in zijn eigen leven niet heeft kunnen waarmaken, geprojecteerd en zodoende in de hand gewerkt dat het meisje een eetstoornis ontwikkelde. In zijn poging om zijn kinderen een materieel goed verzorgde toekomst te bezorgen, heeft hij als belegger zijn kapitaal zien verdampen in de economische recessie na 11 september.

Door de terugkeer van zijn echtgenote – een week voor het eindexamenfeest, na drie jaar samenleven met een jeugdliefde – wordt hij nog eens pijnlijk geconfronteerd met de grote vergissing van hun huwelijk.

Als redacteur bij een uitgeverij, en voorbestemd om op de stoel van de uitgever terecht te komen, is hij een paar jaar voor zijn pensioen met behoud van salaris boventallig verklaard, een schande die hij maskeert door dagelijks op Schiphol onbekenden uit te zwaaien.

Als op de avond van het feest Tirza haar nieuwe vriend presenteert, meent Hofmeester in deze Marokkaanse jongen Mohammed Atta te herkennen, de man die voor hem het gezicht is geworden van zijn financiële debacle. Dat hij zijn lievelingsdochter, de strohalm waaraan hij zich vastklampt in het zicht van een eenzame oude dag, uitgerekend aan deze jongeman dreigt te verliezen, voedt zijn paranoïde obsessie. Die leidt tot een dramatische ontknoping die Grunberg op listige wijze heel lang voor de lezer verborgen weet te houden.

In een uitgebalanceerde compositie van sterke scènes varieert Grunberg voortdurend tussen ontluistering en ontroering. Juist in die combinatie van het schrijnende en het ontroerende schuilt het mededogen waarmee deze literaire striptease van een ogenschijnlijke idylle wordt voltrokken. Daarbij is het indrukwekkend hoe de vijfendertigjarige Grunberg met groot empatisch vermogen de deconfiture van de middelbare echtgenoten verbeeldt. In de vader-dochter-scènes wordt pijnlijk de ontreddering en de machteloosheid voelbaar van een vader die zijn dochter langzamerhand meer nodig heeft dan zij hem.

Tirza is een verontrustende roman waarin de schrijver ons meer dan ooit een spiegel voorhoudt. Ecce homo, zie de mens – lijkt hij te zeggen. In het bijzonder de zelfgenoegzame westerse mens die sinds 11 september 2001 veel van z’n zekerheden heeft zien verdampen en in al z’n angstvalligheid en vertwijfeling het kwaad van buiten vreest, zonder te zien hoezeer het ook in onszelf schuilt.

Amsterdam, 26 maart 2007
 
De jury
Cox Habbema, voorzitter
Hans Bouman
Alle Lansu
Wilbert Smulders
Erik Vlaminck