Jeroen Brouwers – Datumloze dagen

Een horkerige brompot, zo zou je de hoofdpersoon van Jeroen Brouwers’ roman Datumloze dagen kunnen noemen. De naamloze verteller loopt door een bos, stok in de hand. Hij zal over de zestig zijn. Hij telt de bomen om zijn onrust in te tomen. Hij wandelt door een groot verlies en vraagt zich af wat hij verkeerd deed. Toen hij belazerd werd door de liefde, een kind kreeg waar hij niet om vroeg, een verant¬woorde¬lijkheid die hij niet dragen wilde. Toen hij vluchtte, letterlijk door te scheiden, maar ook figuurlijk door zijn vertwijfeling. Hij wilde zijn zoontje Nathan blijven zien, maar toen hem dat onmogelijk werd gemaakt vergat hij diens bestaan. Wat deed hij toen hij toevalligerwijs zijn zoon weer tegenkwam terwijl het schuldgevoel schroeide? Steeds zijn het ontoereikende ontmoetingen, waarvan de zoon teleurgesteld wegsnelt. De ‘ik’ wilde wel contact, maar wist niet hoe hij zijn hand moest uitstrekken. Hij wist niet hoe vader te zijn: ‘De gêne is tot vandaag in mij gebleven als oud behang tegen gebarsten muren.’

De vader-zoonthematiek is weliswaar niet nieuw in de literatuur, maar Brouwers geeft er op bijzondere wijze vorm aan, onder meer door van de roman één lange monoloog te maken, gehouden tijdens een wandeling waarbij de hoofdpersoon naarmate zijn verhaal pijnlijker wordt de tel volkomen kwijtraakt. We bekijken van dichtbij de gedachten van een machteloze, die zich in hogere, weldenkende kringen begeeft en weinig oog heeft voor de lagere cultuur, zoals die van de musical, waarin zijn zoon uitblinkt. De ambivalentie van de hoofdpersoon weet Brouwers voelbaar te maken met steeds terugkerende varianten op de musicalmetafoor. Tegelijk tilt hij daarmee het thema van het ongewenste kind boven het clichématige uit.

Als Nathan - eenmaal veertig geworden - op zijn sterfbed ligt, vraagt hij aan zijn vader een daad te stellen. Alle liefde die een vader voor een kind kan voelen, maar niet over weet te brengen, moet dan verlossing brengen. De vader, in wiens leven ‘het in hoofdzaak alleen maar heeft gestormd, wat heb ik nagestreefd, wat stel ik al met al nu helemaal voor, struikelend door dit onttakelde bos. Doe ik ertoe?’, moet lef tonen. Voor één keer. Want anders is het leven volgens zijn zoon slechts ‘een doffe aaneenschakeling van betekenisloze datums [...], waar je je ten slotte niets van herinnert’.

Onmacht maakt pas indruk wanneer op de loer liggende larmoyantie is vermeden, wanneer de toon naturel is, vol zelfinzicht en satanische ironie, maar ook vol milde melancholie en zoekende herhaling. Brouwers weet de onmacht van zijn hoofdpersoon precies zo te vertolken. We zijn compassie gaan voelen, doordat we regelmatig terugkeken op het verleden van de hoofdpersoon. We zijn hem met al zijn horkerigheid in ons hart gaan sluiten omdat hij zich dapper door het leven slaat, dapperder dan wij waarschijnlijk ooit zullen zijn. In melodieuze zinnen brengt Brouwers de draadjes van twee levens samen tot een geheel waarin alles betekenis heeft en symbolische waarde krijgt. Zodat de herhalingen steeds scherpere randen krijgen en dit verhaal steeds dieper in ons vlees snijdt.

omslag brouwers