Bernard Dewulf - Kleine dagen

Je moet het maar durven. Schrijven over het aller, allergewoonste, dat tegelijkertijd het meest dierbare is: je eigen kinderen. Maar zo gewoon is het niet als je er met je neus bovenop zit. Het is wonderlijk en fascinerend, als je rust neemt om het groeiproces van kinderen scherp en met liefde te observeren. Dat deed Bernard Dewulf met zijn jonge kinderen, een meisje en een jongen. Hij keek, overwoog en legde vast: 'hun kleine schommelingen, de schokjes in hun ontwikkeling; ze wikkelen zich af onder mijn ogen'. De bundel miniaturen met de simpele titel Kleine dagen is er het resultaat van.

Uit de hulpeloze baby groeit de ene keer een vrouw van vijf, koket en zelfbewust, die blikken wisselt met andere kleine vrouwen, 'een verstandhouding van gewapend suikerglas'. De volgende keer is het een mannetje dat zich een hanenkam boetseert, zich een Viking waant of Michael Jordan, en wil geloven dat zijn vader van beroep bankovervaller is. Dan vormt zich voor het eerst het woord 'cool' in zijn kleine hersenpan.

In deze chronologisch gerangschikte verhaaltjes ontluiken niet alleen twee mensen in kinderlichamen, we zijn ook getuige van het ontpoppen van een vader. De kinderen slagen erin papa, de sceptische intellectueel die liefst achter zijn bureau zit, te 'ontstuderen'. Hij gedoogt zelfs kerstbomen met flikkerlichtjes, en lelijk speelgoed dat lawaai maakt. Als hij zijn dochter en haar vriendinnetje van school haalt, probeert hij mee te huppelen, ‘een hinde in het diepst van zijn houterige gedachten', maar hij hobbelt als een nijlpaard. Hij is bereid tot kneuterige gezelligheid, alleen omdat zijn kinderen zeggen: 'Gezellig hè, papa?'

Hij laat niet altijd over zich lopen. Als hij zijn zoon verslaat met tafeltennis voelt hij 'zelfzuchtige vreugde'. Waarover hij zich later schaamt. Hij bekijkt zijn zoons schoolrapport en mompelt 'Dat kan beter', zoals vaders betaamt. Dan beseft hij dat zo'n vader een lege huls is. Ooit sloeg de zoon de vader tot ridder. Maar niemand sloeg hem tot vader, hij blijft een amateur.

Het gezinsleven is niet louter een idylle. Over sommige dagen hangt een deken van verveling. Hemelvaartsdag bijvoorbeeld. Op zo'n landerige dag bijt hij zijn dochter toe: 'Doe-iets. Verzin -iets.' Maar ook verveling leent zich voor analyse. 'Verveling is als een muggensteek,' denkt hij. 'Je weet dat hij overgaat en krabt je toch kapot. Je krabt aan een onbepaalde droefenis, die (...) als een requiem over het ontbijt hangt.'
Deze verhalen zijn niet zomaar 'ontroerend' of 'herkenbaar', ook al zijn ze dat. De schoonheid van deze notities zit hem in de stijl, in de precisie en elegantie van de verwoording. Dewulf is met huid en haar betrokken, maar neemt afstand om zijn verwondering voelbaar te maken voor anderen. Zijn stijl is niet alledaags. In zijn observaties verraadt zich de dichter die hij ook is. In zijn kinderen schuilen trouwens ook dichtertjes. Dochter weet dat heks rijmt op seks. Zoons examinator op school rijmt op de alligator uit zijn 'plastic prehistorie'.

Bij Dewulf zit de diepzinnigheid aan de oppervlakte. Voor wie de moeite neemt goed te kijken is die diep genoeg.

Amsterdam, 22 maart 2010

De jury

Hans Wijers, voorzitter
Joris Gerits
Joke Hermsen
Susan Smit
Aleid Truijens