Juryrapport nominaties Libris Literatuur Prijs 2012

Inleiding

De Libris Literatuur Prijs is de enige prijs in ons taalgebied die de oorspronkelijk Nederlandstalige roman als afzonderlijk en bijzonder literair genre onder de aandacht brengt, voordraagt ter nominatie én bekroont. Het is een eer voor de jury van de Libris Literatuur Prijs 2012 om gedurende het voorbije jaar zoveel uiteenlopende boeken te lezen, die zich onder dit klassieke genre wensen te scharen.

De jury kreeg titels onder ogen, geschreven volgens klassieke normen en vormen. Er zijn ook auteurs, die met hun werk proberen het genre een nieuwe dimensie te geven door de lijn tussen tussen autobiografie, historie, fictie en non-fictie af te tasten en zelfs te overschrijden. Weer anderen trekken zelfs poëzie binnen het domein van de roman.

Het rijke, waardevolle aanbod van 2011 wikkend en wegend stelt de jury zich de vraag  met welke literaire verwachtingen een auteur begint als hij aan zijn boek-in-wording de aanbeveling ‘roman’ meegeeft. Wat staat de schrijver voor ogen? Hoe wijdvertakt is het genre van de roman? Kan een auteur onverwachte invalshoeken en onontdekte gebieden vinden in deze respectabele literaire vorm?

Bovendien vraagt de jury zich op haar beurt af: Welke romans zijn zó maatgevend, dat ze nieuwe grenzen stellen?

Het leven is geen samenhangend fictief verhaal waarin wij de personages zijn en onze wereld is niet als vanzelfsprekend geordend rondom een aantal terugkerende thema’s en motieven. De roman, een bouwwerk opgetrokken uit fictieve elementen, maakt echter wél gebruik van deze ordeningsprincipes en is daardoor in staat ons met nieuwe ogen naar de werkelijkheid te laten kijken. De Franse dichter Paul Valéry merkte over het ordenende vermogen van kunst eens op: ‘Elke kunstvorm maakt van vrijheid noodzakelijkheid.’ Met andere woorden: een goede roman bestaat uit vormtechnische en inhoudelijke elementen die elkaar wederzijds versterken en dus onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden: zo moet het boek zijn, en niet anders. Vrijheid is noodzakelijkheid geworden.

Dat betekent echter niet dat de roman een in zichzelf besloten universum is. Bas Heijne stelt het in het Postscriptum van zijn essay Echt zien. Literatuur in het mediatijdperk helder: ‘Iedere goede roman is juist geschreven in het besef dat (...) ieder moment in een mensenleven een oneindigheid aan indrukken in zich draagt die niet in woorden te vangen zijn. Romans maken je als lezer daar juist van bewust. En precies in die even innige en ongrijpbare relatie tussen literatuur en werkelijkheid vindt de literatuur haar bestaansrecht.’

Als we met deze ambitieuze typering in het achterhoofd naar de oogst van 2011 kijken, dan zien we een groot aantal romans waarin, in literair opzicht, te weinig op het spel staat. De roman is dan eerder een doorgeefluik van hoogstpersoonlijke ervaringen, zonder dat duidelijk wordt waarom nu juist voor de roman gekozen is om het verhaal te vertellen. Gelukkig zijn er auteurs die erin slagen om het autobiografisch materiaal om te vormen tot een vertelling waarin de relatie tussen literatuur en werkelijkheid niet als vanzelfsprekend wordt voorgesteld, maar juist in alle complexiteit wordt uitgebeeld. Dat uit zich zowel in inhoudelijke als vormtechnische en stilistische aspecten. De keuzes die deze auteurs maken, getuigen van durf, scherpzinnigheid en brille. Soms komen daarbij, voor de jury op welkome wijze, de grenzen van het genre in het geding: autobiografie gaat dan een spannende liaison aan met fictie.

De historische roman is in 2011 sterk vertegenwoordigd. Vooral door romans, die gesitueerd zijn in de vroege twintigste eeuw en nadrukkelijk de omslag naar de moderniteit tot onderwerp hebben. Dit impliceert, volgens de jury, dat de romanciers op zinnige wijze op zoek zijn naar de bronnen van onze hedendaagse samenleving, uitgedrukt in recent historisch perspectief. Dat zij voor het genre van de roman kiezen en daarmee het domein van de fictie durven te betreden, geeft aan hun inspanningen extra glans.

Ten slotte heeft de jury het idee dat er een generatie auteurs van rond de veertig jaar zichtbaar is die jongleert met het genre, nieuwe thematische keuzes maakt en eigen grenzen en wetten creëert. Deze schrijvers zoeken én vinden verrassende en nieuwe wegen. Dat is een verheugende ontwikkeling. Bij de samenstelling van de longlist heeft de jury al vastgesteld dat er geen twijfel is aan de vitaliteit van het genre.

Deze overwegingen in acht genomen, is de jury met eensgezinde overtuiging en trots gekomen tot de volgende eervolle selectie van de shortlist voor de Libris Literatuur Prijs 2012, waarin de veelzijdigheid en zeggingskracht van de roman ten volle tot uitdrukking komen:

Jeroen Brouwers – Bittere bloemen

In Bittere bloemen plaatst Jeroen Brouwers zijn 81-jarige hoofdpersonage Julius J. Hammer, ex-professor, ex-rechter en gevierd schrijver, in een voor zijn doen ongewoon wuft decor. Hammer is door zijn bedilzieke dochter op het cruiseschip Carta Mundi in de Middellandse Zee gedeponeerd. Daar moet hij twaalf dagen ‘het gedoe van medepassagiers’ tolereren en aan wal in Corsica – op zoek naar sigaartjes – verzeilt hij zelfs tussen filmopnames met Nicole Kidman en festiviteiten ter ere van Napoleon.

Hammer, ooit ‘een Rudolph Valentino met hypnose-ogen’, is na een herseninfarct onttakeld. In zijn hoofd spoken de schimmen van het verleden rond. Ten volle is hij zich ‘bewust van zijn armzaligheid’ en de vergeefsheid van zijn schrijverij. Maar wanneer hij in zijn deplorabele sloffende toestand op het schip ter hulp wordt geschoten door de jongensachtige Pearlene, slaat de bliksem weer in. Pearlene, door Hammer telkens Leentje genoemd, is het meisje dat hem twintig jaar geleden in zijn schrijfcursus volkomen van de wijs bracht. En nu doet ze dat ‘met haar absorberende ogen in het teer getekende gezichtje’ opnieuw. Op het schip verzorgt ze de rol van entertainende waarzegster. Meteen zeilt bij Hammer ‘de treurigheid binnen’. Toch is Pearlene een paar keer zijn reddende engel, want Hammer tuimelt wat af in dit boek, als een krakkemikkige held in een stomme film. In koortsige flashbacks reveleert Brouwers het al vroeg vastgelopen leven van de sukkelende kankerpit. Het verval van Hammer staat in de sterren geschreven: ‘de stinkende smaak van verdorring. Als van verwaarloosde orchideeën. Als van bittere bloemen.’

Bittere bloemen is een vintage Brouwers. Na een wat voorzichtige aanloop tuigt Brouwers volop met slingers en lampionnen zijn taal op. Tegelijk schuilt er een geschakeerde ideeënrijkdom in deze roman. Filosofische referenties en aforismen over de tentakels van de ouderdom, de naderende dood, de bedriegerijen van het geheugen en de verzengende inslag van de liefde liggen voor het grijpen. In deze als een klassiek muziekstuk gecomponeerde roman komen ook motieven- en symbolenjagers meer dan ooit aan hun trekken. Arglistige vogels, klokken en honden als begeleiders naar de onderwereld én natuurlijk weer de Orpheus­mythe zijn alom tegenwoordig in bijwijlen droomachtige sequenties. Af en toe laat Brouwers de polemist los in Hammer, die de fulminades rondspuwt als hinderlijke kersenpitten. Het bijzonder doorwrochte Bittere bloemen is een roman van grote klasse waarin Eros en Thanatos hun ultieme alliantie aangaan.

Miquel Bulnes – Het bloed in onze aderen

Met Het bloed in onze aderen heeft Miquel Bulnes een historische roman geschreven over de opmaat naar de Spaanse Burgeroorlog, een periode die net zo chaotisch blijkt te zijn geweest als de oorlog zelf.

In de chaotische jaren na de Eerste Wereldoorlog voert Spanje een verloren strijd in Marokko. In het voorjaar van 1921 worden Spaanse militairen door Berbers in korte tijd het land uitgedreven. Duizenden komen om. Kapitein Augusto Santamariá weet het vege lijf te redden, maar zijn verwondingen zijn zo ernstig dat hij niet als militair actief kan blijven.

Met tegenzin aanvaardt hij een baan bij de veiligheidsdienst in Madrid. Wanneer bij een moord in bordeel blijkt dat hier politieke motieven achter schuilen, beseft Santamariá dat hij toch de maatschappelijke rol kan spelen die hij voor zichzelf zag weggelegd.

Wat volgt is een spannend verslag over wat zich tussen april 1921 en september 1923 afspeelt in de verschillende lagen van de Spaanse bevolking. Of het nu het leger is, de politiek of het leven van een vrouwelijke bediende die in de prostitutie verzeild raakt, Bulnes voert de personages karaktervol en met veel empathie ten tonele.

De moord in het bordeel zet een reeks verwikkelingen in gang die duidelijk maken hoe de conservatieven en liberalen onderling konden uitmaken welke partij dit keer de verkiezingen zou winnen. Daar doorheen gevlochten speelt de geschiedenis van Santamariá’s familie en zijn persoonlijke leven. Bulnes verbindt de grote verhalen vaardig met de kleine en verstrekt van daaruit een verklaring.

Het bloed in onze aderen is een voorbeeld van hoe geslaagd een klassieke historische roman kan zijn. Bulnes houdt met een verbluffende techniek overzicht over alle verwikkelingen. Het decor van de roman verplaatst zich van Marokko moeiteloos naar Madrid en vervolgens naar Barcelona. Deze plekken krijgen in de roman hun eigen identiteit. Bulnes laat hun geuren en culturen eruit opwasemen. Het boek moet ontzettend veel onderzoek hebben gevergd dat evenwel nergens de plot overvleugelt en organisch in de vertelling is verwerkt.

In Het bloed in onze aderen komen diverse genres samen. Binnen het beproefde kader van de historische roman heeft Bulnes elementen samengebracht van oorlogsromans, thrillers en spionageromans en psychologische romans. Dat hij erin is geslaagd binnen al deze dimensies en wervelende actie personages van vlees en bloed te creëren, is een grootse prestatie.

A.F.Th. van der Heijden - Tonio

A.F.Th. van der Heijden creëert met Tonio een nieuw genre, dat hij ‘requiemroman’ noemt. De oorsprong van het boek ligt besloten in een tragisch, werkelijk gebeurd noodlottig ongeluk: Tonio, de enige zoon van A.F.Th. van der Heijden en zijn vrouw Mirjam Rotenstreich, raakte op de vroege ochtend van Pinksterzondag betrokken bij een dodelijk ongeval.

Van der Heijdens roman begint met een kreet, waarin de vader de naam van zijn zoon roept alsof hij hem uit de onderwereld terug wil halen. Hierna opent de roman op klassieke, zelfs documentaire wijze: politiemensen wekken de ouders vroeg op zondagochtend. Hun zoon is, na een aanrijding, „in kritieke toestand’ opgenomen in het Academisch Medisch Centrum, Amsterdam. Tussen angst en hoop begeven de ouders zich naar het ziekenhuis. Alle personages in de roman heten bij hun werkelijke namen: Tonio, Adri, Mirjam, de familieleden, de vrienden van Tonio, de artsen. Hierdoor lijkt het alsof de roman in het domein van de non-fictie terechtkomt. Dat laatste geldt voor een groot deel van de roman. Maar Van der Heijden geeft enkele knappe wendingen aan zijn boek, waardoor hij het boek vanuit het domein van de non-fictie naar de fictie trekt. In het verloop van de meer dan zeshonderd bladzijden tellende roman vinden enkele cruciale ‘kantelmomenten’ plaats. Een van de eerste is dat Van der Heijden het dodelijke ongeluk een ‘inktzwart wonder’ noemt. Dat getuigt van moed. Hij, de oeuvrebouwer, de auteur bij uitstek die in fictieve vorm greep wil krijgen op de wereld, moet erkennen dat een gebeurtenis uit de werkelijkheid zijn literaire theorie ondermijnt.

In de laatste bladzijden overstijgt Van der Heijden de waarheidsgetrouwe beperkingen. Aan de hand van gesprekken met het meisje dat voor het laatst gesignaleerd is in de onmiddellijke nabijheid van Tonio geeft hij een reconstructie van de laatste uren voor Tonio's dood. In de tuin van het ouderlijk huis maakte hij foto's van haar. Minuut na minuut reconstrueert hij Tonio's laatste uren. Deze bladzijden vormen de grande finale van een aangrijpende roman. A.F.Th. van der Heijden heeft met de kracht van taal, als een hedendaagse Orpheus, op papier zijn overleden zoon het leven teruggegeven.

Jan Van Loy – Ik, Hollywood

Jan Van Loy duikt in Ik, Hollywood in het hart van de Amerikaanse mythen. Het leven van hoofdpersoon Louie Peters volgt op het eerste oog het vertrouwde patroon van the American dream: Peters gaat van rags to riches, van wees tot Hollywood-magnaat. Aan de hand van het levensverhaal van Peters worden de eerste decennia van de filmindustrie en de bloei van de stad Hollywood met veel coloriet geschetst. In zeer beeldend beschreven scènes zien we hoe de personages zich staande proberen te houden in een wereld die even veranderlijk als onverbiddelijk is.
 Toch is daarmee het belangrijkste niet gezegd over de literaire verdiensten van Ik, Hollywood. Van Loy weet het in deze puntgave roman klaar te spelen aan dit materiaal een volstrekt eigen wending te geven. Zo is hij er in geslaagd om aan iedere beschreven tijdsperiode de sfeer en het verteltempo mee te geven van de films die op dat moment gemaakt worden. Het eerste deel is bijvoorbeeld van dezelfde slapstick-achtige onbezorgdheid als de korte niemendalletjes die op dat moment bij het grote publiek in de smaak vallen. Van Loy bewandelt op een zeer intelligente manier een dubbel spoor: hij dompelt zijn lezers onder in een totaal overtuigende fictieve wereld, maar laat ons tegelijkertijd de achterkant van dat verzonnen decor zien. Hiermee betrekt Van Loy het domein van de non-fictie binnen het domein van de fictie, een ingenieuze kunstgreep die past in de Hollywood-traditie. Pas op, lijkt hij zijn lezers te zeggen, echt doordringen tot het even raadselachtige als oppervlakkige succes van de filmindustrie, kan niemand. In deze verhalenfabriek is niemand nog in staat het bordje ‘uitgang’ te detecteren.

Daarmee heeft Van Loy een geweldige prestatie geleverd. Hij heeft een ontstellende hoeveelheid documentair materiaal verwerkt tot een vertelling, die tot op de laatste pagina sprankelt en nooit geconstrueerd overkomt. Van Loy kent het geheim van de pakkende oneliner en de ritmiek van een natuurlijke dialoog. Hij heeft met Louie Peters een hoofdpersoon geschapen die even komisch als ontroerend is. Een man die net als Hollywood zelf iedere diepte lijkt te schuwen, maar juist daarom blijft fascineren. Daarmee laat Van Loy op overtuigende wijze zien dat hij de literaire kracht van de roman optimaal weet te benutten: in Ik, Hollywood wordt een geschiedenis die we al dachten te kennen, in een volstrekt nieuw daglicht geplaatst.

Jan van Mersbergen – Naar de overkant van de nacht

Korte, strakke zinnetjes. Nogal wat jonge hedendaagse Nederlandse schrijvers zijn er verslingerd aan en weren in hun romans angstvallig elk franje. Alsof het doodzonde is om slechts even de teugels te lossen. Het leidt vaak tot irritante romans die een grote stilistische armoede verraden én een gebrek aan durf.

Toch kan ingetogen en geserreerd schrijven wel degelijk ook tot pareltjes leiden. Jan van Mersbergen, die in 2001 debuteerde met De grasbijter en intussen aan zijn zesde roman toe, is als steeds zuinig met woorden maar weet in zijn romans telkens een onontkoombaar, beklemmend universum op te roepen. Hij legt een voorkeur aan de dag voor in zichzelf gekeerde, ordinary heroes Jongens van de straat die met hun emoties amper een uitweg weten.

In Naar de overkant van de nacht worden we ondergedompeld in een uitzinnige carnavalsnacht in de stad Venlo. Tijdens Vastelaovend, zoals het gebeuren heet, zitten we vastgeklonken in het hoofd van Ralf. Opgetuigd als een veerman weet hij maar al te goed dat hij total loss zal gaan. Om zijn hals torst hij een kalender waarop hij zijn drankdebiet bijhoudt door het afscheuren van een nummertje. ‘Ik ben een veerman, zeg ik. Ik ga niet vooruit, ik ga heen en weer. Naar de overkant en weer terug, naar de overkant en weer terug. Wat nu achter me ligt, ligt straks weer voor me.’ Vasteloavond is een perpetuum mobile, een roes zonder winnaars. Of is het toch een rollenspel waarin je je jezelf kunt zijn, zoals sommigen beweren? Het drinkgelag ontspoort, de meisjes zijn gewillig, de mannen bronstig. Er wordt gehost tot men er bij neervalt en er zijn anonieme quick fucks in portieken. Van Mersbergen brengt de onbehaaglijke spanning perfect over en spint de lezer in, alsof je op een mallemolen zit, waar je met de minuut misselijker wordt van dronkenschap. Er zit ook veel muzikaliteit in deze roman, waarin de auteur sluw allerlei (muzikale) motiefjes een extra lading geeft.

Maar Ralf vertoeft in zijn hoofd wél voortdurend bij Sara, zijn vriendin die vier kinderen heeft van een andere man.  Ralf kende haar al vanop school en pas zevenentwintig jaar later, als hij haar weer ontmoet in de supermarkt, trekt hij bij haar in. De zorg voor haar gehandicapte kinderen weegt zwaar en zet de relatie onder druk. Voor Ralf is de carnavalsnacht een enerverende zoektocht naar zichzelf én tegelijk ook een vluchtroute, waarin het hoofdpersonage Ralf na 24 uur een totaal ander mens is geworden. Van Mersbergen raakt je midscheeps met deze strak opgebouwde roman, vol betekenisvolle details én haast aforistische zinnen.

Ivo Victoria – Gelukkig zijn we machteloos

Op de achtergrond van de roman Gelukkig zijn we machteloos wordt de sfeer verpest door een ruis die alleen vrouwen kunnen horen. De ruis werkt op de zenuwen, terwijl de sfeer in het Vlaamse provinciestadje waar Ivo Victoria’s roman zich afspeelt toch al zo gespannen is. Er gaan verhalen dat telkens pubermeisjes verdwijnen. Heeft de ruis met de verdwijningen te maken?

Het verhaal wordt door de media opgepikt en dan is het al snel een voldongen feit. ‘Dat moet je media niet leren: het aanwakkeren van vermoedens door ze staalhard te ontkennen’, verzucht ome Lex, de tragische held. De paniek sluipt erin.

Het is een hete zomerdag en twee families die met elkaar verbonden zijn door zaken uit het verleden waarover met algemene instemming gezwegen wordt, komen bij elkaar voor een tuinfeest. Stekeligheden worden uitgewisseld. De landerigheid is groot, de alcohol vloeit alle kanten op.

Marthe, de mater familias, heeft ook ome Lex uitgenodigd. Lex, die niet echt een oom is, zoals ook het pubermeisje Billie niet de biologische dochter is van het echtpaar Hilde en Dirk. Zij is een aangenomen kind.

Wanneer Billie het huis uitwandelt, volgt ome Lex haar. Zonder kwade bedoelingen, maar leg dat, in dit hypernerveuze tijdsgewricht, maar eens uit als het meisje iets overkomt. Met Billie in zijn armen keert Lex terug. Is ze dood of slechts bewusteloos, Victoria laat de vraag onbeantwoord. Zoals er veel onbenoemd en onderhuids blijft in deze roman.

Het is met de terugkeer dat de roman begint. Het tuinfeest en de wandeling zijn één grote flashback waarin Victoria de sfeer en de omstandigheden schept die duidelijk maken dat Lex het moeilijk zal krijgen. Hij vertegenwoordigt de rede, hij is degene die niet gelooft in het verband tussen de ruis en de verdwijningen. Veel angst is aangepraat of wordt doorgegeven, meent hij. ‘De wereld is neutraal, wij maken haar dramatisch.’

Ivo Victoria heeft met Gelukkig zijn we machteloos een spannende, actuele zedenschets geschreven over een wereld die door angst en vooroordelen wordt geregeerd. Hij doet dat in een schitterende, ingehouden, bijna onderkoelde stijl. De roman kruipt onder de huid. De wijze waarop Victoria de lezer met een knagend gevoel van ongerustheid achterlaat, is indrukwekkend.

Amsterdam, 12 maart 2012

De jury
Robbert Dijkgraaf, voorzitter
Kester Freriks
Theo Hakkert
Dirk Leyman
Saskia Pieterse