Juryrapport Libris Literatuur Prijs 2012

A.F.Th. van der Heijden creëert met Tonio een nieuw genre, dat hij 'requiemroman' noemt. De oorsprong van het boek ligt besloten in een tragisch, werkelijk gebeurd noodlottig ongeluk: Tonio, de enige zoon van A.F.Th. van der Heijden en zijn vrouw Mirjam Rotenstreich, raakte op de vroege ochtend van Pinksterzondag betrokken bij een dodelijk ongeval.

Van der Heijdens roman begint met een kreet, waarin de vader de naam van zijn zoon roept alsof hij hem uit de onderwereld terug wil roepen. Hierna opent de roman op klassieke, zelfs documentaire wijze: politiemensen wekken de ouders vroeg op zondagochtend. Hun zoon is, na een aanrijding, 'in kritieke toestand' opgenomen in het Academisch Medisch Centrum, Amsterdam. Tussen angst en hoop begeven de ouders zich naar het ziekenhuis.

Alle personages in de roman heten bij hun werkelijke naam Tonio, Adri, Mirjam, familieleden, vrienden van Tonio, de artsen Hierdoor lijkt het alsof de roman in het domein van de non-fictie terechtkomt. Maar in het verloop van de meer dan zeshonderd bladzijden tellende roman vinden enkele cruciale 'kantelmomenten' plaats. Zo noemt Van der Heijden het dodelijke ongeluk een 'inktzwart wonder'. Dat getuigt van moed.

Het behoort tot het wezen van deze roman dat de schrijver de waarheidsgetrouwe beperkingen overstijgt. Aan de hand van gesprekken met het meisje dat gesignaleerd is in de onmiddellijke nabijheid van zijn zoon gaat hij de laatste uren voor Tonio's dood na. In de tuin van het ouderlijk huis maakte hij foto's van haar. Minuut na minuut reconstrueert de auteur Tonio's nachtelijke uren vlak voor het ongeval. Deze bladzijden vormen de grande finale van een aangrijpende roman.

De Nederlandse literatuur is, op schrijnende wijze, rijk aan poëzie, verhalen en romans over rouw, over de dood van dierbaren, zelfs over de dood van kinderen. Rouwverwerking is een niet meer weg te denken genre in onze letterkunde. De radeloosheid laat zich niet in woorden vangen, maar tegelijkertijd is er altijd weer die poging om uitdrukking te geven aan de stomheid waarmee de ouders van het overleden kind zijn geslagen.

Van der Heijden is zich bewust van deze traditie, en dat siert hem als auteur. Hij refereert zowel aan recente boeken als aan literatuur van vroeger jaargang over het verlies van een kind. Hierdoor tilt hij de roman uit boven een incidentele en individuele tragische ervaring. Het zoeken naar houvast in de literatuur is als het zoeken naar troost, zowel voor de schrijver als voor de lezer. Hoewel Tonio alle sporen toont van rauw, bijna ongebolsterd schrijven – Van der Heijden voltooide het boek binnen een jaar na de dood van zijn zoon – blijkt bij nadere lezing een geraffineerde compositie aan deze requiemroman ten grondslag te liggen. Alle registers die bij dood en rouw horen worden op superieure wijze bespeeld: van aankondiging en verzoening tot ontkenning; van woede en verzet tot aanvaarding.

Een nieuw element dat Van der Heijden toevoegt is het schuldbesef. Dat motief klinkt aanvankelijk zwak, maar neemt gaandeweg de roman in heftigheid toe. Schuldig, omdat hij als vader niet kon optreden om de fatale botsing in het schemerduister te voorkomen. Schuldig, ook omdat de schrijver zich zijn leven lang heeft teruggetrokken in een literair universum. In dit laatste opzicht is Tonio óók een boek over het schrijven. Van der Heijden, de oeuvrebouwer bij uitstek, de auteur die in taal greep wil krijgen op de wereld, wilde als schepper van romans de werkelijkheid naar zijn hand zetten en op soevereine wijze heersen als een meester in zijn fictieve wereld.

Maar de dood van zijn zoon verbrijzelt op onthutsende wijze die literaire werkelijkheid en zijn literaire theorie. Hiermee krijgt zijn schrijverschap, dat zwaar op de proef werd gesteld, een nieuwe dimensie. In bredere betekenis zouden we ook kunnen zeggen: de dood stelt het leven op de proef. Is het leven nog zinvol te leiden na de dood van een kind? De dood en de literatuur verbindt Van der Heijden in een blijvend monument, zelfs als de auteur het vaak ervaart alsof er door de dood een definitief einde aan de literatuur is gekomen.

De indrukwekkende grootsheid van de requiemroman Tonio is te danken aan de ongeëvenaarde veelstemmigheid ervan. In het slotkoor van deze symfonie van de dood klinkt zelfs hoop, hoe genadeloos dat in het licht van de voorafgaande gebeurtenissen ook lijkt.

Amsterdam, 7 mei 2012

De jury
Robbert Dijkgraaf, voorzitter
Kester Freriks
Theo Hakkert
Dirk Leyman
Saskia Pieterse