Thomas Verbogt - Als de winter voorbij is, uitgeverij Nieuw Amsterdam

“…en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren…”

Weinig schrijvers kunnen die weemoedigheid zo mooi verwoorden, misschien zelfs wel verklaren, als Thomas Verbogt in zijn Als de winter voorbij is. Een titel die tegelijk hoop en weemoed in zich draagt. De verteller, die ook Thomas heet, in Nijmegen opgroeit en naar Amsterdam verhuist, is aan de derde fase in zijn leven toe: net zestig geworden, zal hij eindelijk met zijn vriendin gaan samenwonen en bereidt hij zich voor op zijn “laatste verhuizing”. Hij schrikt er zelf van dat hij dat zegt: “Wanneer zei ik voor het laatst dat iets voor het laatst was? en dan heb ik het uiteraard over grote momenten.”

Die ‘grote momenten’ van dood, verlies, verdriet – beginnend bij zijn eenzame, traumatische verblijf als driejarige in het ziekenhuis, en de plotselinge dood van zijn aanbeden adoptiezusje - hebben deels voor de schaamte en het schuldgevoel gezorgd die hem zijn leven lang kwellen. Nu, bij het opruimen van de etage waar hij vijftien jaar alleen woonde, kijkt hij niet alleen daarop terug maar vooral ook op de toevallige ontmoetingen waarvan hij nu beseft hoezeer zij zijn leven hebben bepaald. Ja, wij weten wel dat wij allemaal slechts voorbijgangers in dit leven zijn - Ships that pass in the night, dichtte Longfellow al. Maar hoe bepalend sommige heel korte ontmoetingen kunnen zijn, die ontmoetingen waarbij je elkaar even aankijkt, en je levens elkaar raken, is in de hedendaagse literatuur zelden zo helder weergegeven. Met als rode draad de kus van een dertienjarig meisje voor een verlegen jongen die net eindexamen heeft gedaan. En die zijn leven lang aan haar zal blijven denken.

Het gaat niet om de werkelijkheid, maar om de waarheid, zei een van Thomas’ beste vrienden, inmiddels overleden, vaak. “Daar doe ik ook niet aan, aan te veel werkelijkheid”, zegt de verteller, die in deze korte, elegante roman haarscherp en betoverend weet te verwoorden wat een mensenleven vorm geeft.